De webmaster in de pzc

JOOP VAN DEN OUDENHOVEN 

‘Geen vernieuwing zonder verandering’
 

Joop van den Oudenhoven is altijd op zoek naar onbe­wandelde paden. Dat deed hij als katholiek, als provo, als leraar en nog steeds als biljartcorrespondent.



door Rudy Boogert
J
oop van den Oudenhoven is biljarten en biljarten is Joop van den Oudenhoven.

In dikke ordners op zijn werkkamer in Goes staan de namen van alle spelers die ooit in Zeeland een balletje hebben getikt. Maar de 74-jarige Goesenaar is meer dan biljarten. Hij is een vrijge­vochten katholiek, een rebel en een vernieu­wer.

,,Ik voelde dat er iets niet klopte. De meester, een broeder, liep tussen onze schoolbankjes door. Het was zomer en de jongens droegen korte broeken. Met wijde pijpen. Lekker mak­kelijk. De broeder stopte en legde zijn hand op iemands been. ‘Hoe gaat ’t jongen’, vroeg hij. En ‘per ongeluk’ schoot zijn hand dan naar boven.

„Ik zat op school in Dongen, hartstikke katho­liek natuurlijk. Wat er later allemaal naar bui­ten is gekomen over de katholieke kerk, over het misbruik met jongens, dat heb ik zien ge­beuren. Samen met een vriendje heb ik eens een broeder betrapt met een jongen. We heb­ben het aangekaart en hij is uiteindelijk ook weggestuurd. Het gevolg: wij werden als verra­ders gezien.

„Het is nooit mijn wereld geweest. Na de lage­re school moest ik naar het klooster. Ik was nummer drie in ons gezin. De eerste, mijn broer, moest geld verdienen. De tweede, mijn zus, moest helpen in de huishouding. En als nummer drie was ik de lul: ik moest naar het klooster. Ik was twaalf, maar ik wist dat ik dat absoluut niet wilde.

„Ik ben toen weggelopen. Ik ben drie dagen weg geweest. Tussen Dongen en Gilze was een groot bos. De Duiventoren heette het.

Daarin heb ik mezelf drie dagen kwijtge­maakt. ’s Nachts sliep ik onder van die grote wortels van bomen, overdag zwierf ik rond. Ik werd uiteindelijk gevonden door de hoofdon­derwijzer van een school. Die man was geen geestelijke en ik had wel wat met hem. Hij is bij mij thuis gaan praten en overtuigde mijn ouders ervan me niet naar het klooster te stu­ren. Toen was ik thuis wel het zwarte schaap.

Dat paste bij mijn thuissituatie. Meneer pas­toor die telkens langskwam, op zondag drie keer naar de kerk, elke doordeweekse ochtend naar de kerk… Ik vond het een harnas.”

„Met mijn vader had ik ook niet zo veel. Hij was een autoritaire man. In Dongen werd hij op handen gedragen, want hij kon geweldig voetballen. Ik kon het ook wel aardig, maar langs de lijn hoorde je altijd: ‘Dat is er één van Harry, maar hij is niet zo goed hoor’. Ook thuis voelde ik me niet thuis en eigenlijk zat ik te wachten op het moment dat ik weg kon.

„In Dongen werd alles bepaald door de kerk en de lederfabriek, waar het dorp om bekend­stond. Ik heb er altijd iets tegen gehad. Heel jong dus al. Ik weet niet waar dat vandaan kwam. Ik denk door het eeuwige verzet in de mens. Dat heb ik nog altijd. Ik heb groot res­pect voor mensen die iets kunnen en doen.

Maar met mensen die zich belangrijk vinden op basis van hun positie, heb ik niks.

„De sleutel om weg te komen, was de mts. Ik had nog niet eens mijn diploma, toen ik solli­citeerde bij de gemeente Rotterdam. En ik werd aangenomen als werktuigbouwkundige.

Eindelijk kon ik weg. Eindelijk kon ik de vrij­heid tegemoet. Ik vond een kamer in Rotter­dam bij een vrouw die ik kende uit Dongen.

Een zalig mens. Zij is mijn tweede moeder ge­worden. Zij gaf mij voor het eerst het gevoel dat er iemand van me hield. En toen was ik al bijna twintig. Door mijn thuissituatie vind ik het nog steeds moeilijk om me aan anderen te hechten. Het is een beschermingsmechanis­me om geen teleurstelling mee te hoeven ma­ken. De enige bij wie ik dat niet heb, is mijn vriendin Cobie.

„In Rotterdam kwam ik in aanraking met poli­tiek. Ik werd lid van de communistische par­tij. De partij van Marcus Bakker. De tsaar, zo noemden we hem. Een geweldige redenaar, hij kon mensen inspireren. Ik deelde pamflet­ten uit, schreef teksten, ik was zo links als de pest. Bij de Russische inval in 1968 van Tsje­choslowakije ben ik afgehaakt. Ik ben altijd an­timilitaristisch geweest.

„De mooiste tijd was de provo-tijd. Geweldig, zo onwaarschijnlijk mooi. Dat paste precies bij mij. In de jaren zestig werd nog steeds vooroorlogs gedacht. Dongen was mijn voor­beeld. Ik wilde juist verandering, vernieu­wing. Dat idealisme vond je in de provo-bewe­ging. In Amsterdam sloopten ze alles, maar in Rotterdam was geen protest gewelddadig.

„We verzonnen de mafste acties. Bij de offi­ciële opening van De Doelen in Rotterdam (het concertgebouw) zijn we in gehuurde jac­quets van de trapleuningen gegleden, op het Eendrachtplein hebben we het hondje Fikkie (een standbeeld) wit geverfd en zijn er met z’n allen omheen gaan zitten. We verzonnen van alles om tegen het establishment te schop­pen.

„Met een vriend ben ik ook naar de Franse cul­turele revolutie geweest. Een explosie van vrij­heidsdrang. Wij waren in Rotterdam al blij als er duizend man kwam opdagen. Ik heb ze niet geteld, maar in Frankrijk waren zeker 100.000 mensen op de been. In Parijs werd het een beetje link, toen zijn we naar Rennes gegaan waar het ook groot maar minder gewelddadig was.

„Op mijn twintigste had ik mezelf voorgeno­men om nooit langer dan twee jaar voor de­zelfde baas te werken. Als je vooruit wilt ko­men, moet je veranderen. Dat dacht ik. De praktijk was iets anders. Ik heb acht jaar bij de gemeente in Rotterdam gewerkt. Eerst vier jaar als werktuigbouwkundige, daarna vier jaar als bedrijfsanalist. Maar toen ben ik ver­der gaan kijken.

„In Hengelo ben ik bij een organisatiebureau gaan werken. Geweldig en dynamisch werk.

Ik reorganiseerde bedrijven zodat ze makkelij­ker en effectiever konden werken. Vooruit­gang dus. En dat wilde ik. Maar toen kreeg ik door wat er aan de andere kant gebeurde.

Toen kwam de schizofrenie om de hoek kij­ken.

„Door die zogenaamde vooruitgang kwam Jan met de pet aan de achterkant van het bedrijf op straat te staan. Daar had ik het moeilijk mee. Heel moeilijk. Het werd zo gek dat ik overdag een bedrijf reorganiseerde en in de vrije avonduren de mensen die hun baan kwijt waren geraakt, hielp zoeken naar nieuw werk. Dat kon toch niet de bedoeling zijn?

„Uiteindelijk vond ik mijn roeping in Zeeland. Op de streekschool in Middelburg. Ik heb er maatschappijleer en omgangskunde gegeven.

Nieuwe vakken, vakken die mensen aan het denken zetten. Dat heb ik met zó veel plezier gedaan. Totdat ik omviel. Letterlijk. Een hart­infarct. Niet het eerste, maar het derde...

„Vanaf mijn twintigste heb ik geroepen dat ik nooit ouder dan 37 jaar zou worden. Ik leefde zo intens: werken, studeren, fotograferen en al­lerlei andere hobby’s. Die 37 was een willekeu­rig getal, maar ik werd 37 en prompt kreeg ik m’n eerste infarct. Een lichte, maar toch. Dat was natuurlijk een signaal, maar daar heb ik slecht naar geluisterd.

„Vijf jaar later kreeg ik opnieuw een licht in­farct en de klapper kwam op m’n 46e. Op va­kantie in Frankrijk. Het licht ging gewoon uit.

In het ziekenhuis heb ik toen afscheid van het leven genomen. Ik had er vrede mee. Maar ja, ik kwam erbovenop. En dan moet je verder.

Dat viel niet mee. Ik had afscheid van al mijn plannen genomen.

„Mijn grote hobby was fotograferen, maar dat kon ik wel vergeten. Ik kon niet meer tegen de dampen in de doka. Toen ben ik kleren gaan maken. Ik was altijd al gek op kleren. Niet echt mannelijk hè. Ik hou ook van winkelen, haha. Ik ben op naailes gegaan, als enige man tussen van die kakelende wuufjes. Na ander­halve week maakte ik al een pantalon. Paste als een bus.

„In 2002 kwam de volgende klapper: de legio­nella- bacterie. Dat heeft ook niet veel ge­scheeld. Ik heb zelfs in coma gelegen. Ik ben erdoorheen gerold, maar mijn hele lichaam is naar de klote geholpen. M’n immuunsysteem is behoorlijk aangetast. Ik ben overal aller­gisch voor. En m’n motortje (het hart) doet het niet meer zoals het hoort.

„Vroeger was ik hele dagen m’n huis aan het verbouwen. Daar heb ik nu geen lucht meer voor. Als ik een schilderij ophang, hijg ik al als een oud paard. Dat ben ik natuurlijk ook, ha­ha. Ik slik per dag negentien pillen. Nou ja, ze­ventien pillen en twee pufjes. Ik weet dat het rotzooi is, maar het is de enige mogelijkheid om in leven te blijven. Ik weet dat ik al in de extra tijd zit.

„Zelf biljarten gaat ook niet meer vanwege m’n kortademigheid. Zó zonde. Gelukkig kan ik erover schrijven in de PZC. Maar er moet wel iets gebeuren in de sport. Al jaren wordt geroepen dat het flitsender moet. Laatst had­den ze de tafels rood, wit, blauw geschilderd en de arbiters in een blauw jasje gehesen.

Maar dat is niet waar het om gaat.

„Een schaakklok invoeren is een eerste stap.

Geef elke speler een uur bedenktijd voor een partij. Dat voorkomt wedstrijden van drie, vier uur. Voer een showelement in. Iedereen die in Zuid-Amerika heeft gebiljart, prijst de ambiance waarin de toeschouwers klappen en fluiten. Als je hier je mond open doet, kijken ze je scheel aan.”

Als verplichte katholiek zocht Joop van den Oudenhoven naar andere wegen, als provo zocht hij middelen om de roest van de samen­leving te halen, als leerkracht opende hij nieu­we deuren voor opgroeiende tieners en zelfs als biljartcorrespondent van de PZC zoekt hij onbewandelde paden. Want: „Er is nooit voor­uitgang gekomen zonder verandering.”

 Met mensen die zich belangrijk vinden op basis van hun positie, heb ik helemaal niks 

 

Die 37 was een willekeurig gekozen getal, maar ik werd 37 en prompt kreeg ik m’n eerste infarct
 

Joop van den Oudenhoven






 Joop van den Oudenhoven in zijn kantoor aan huis in Goes. Een groot deel van de dag zit hij hier rustig te werken aan zijn biljart­archief. Rustig. Dat staat in schril contrast met zijn jongere jaren, waarin hij allerminst rustig was.

Hij was altijd op zoek naar meer, naar verbetering. 

foto Mechteld Jansen 

Realisatie: TiDi Graphics